donderdag 30 januari 2014

Het dagelijkse werk deel 1


Familie Mueller-Exner


In een klein dorp als Blumendorf waren lang niet alle beroepen vertegenwoordigd. Maar voldoende om een dorp als dit, draaiende te houden. Ik beschrijf hier hoe de mensen in het begin van de vorige eeuw hun brood verdienden. En dat was zeker niet gemakkelijk in een gebied waar het toentertijd vanaf begin november tot diep in april echt winter kon zijn.

Wat is er dan voor een mens het belangrijkste? Juist dat hij te eten heeft, en minstens zo belangrijk dat hij zijn huis warm kan houden. Natuurlijk had ieder zo zijn eigen groentetuin maar met dat alleen red je het natuurlijk ook niet.

Allereerst was er voor het dagelijkse brood de bakker; Alfred Gotsche, maar over hem heb ik al in een eerder bericht geschreven. 

De buurman van Gotsche was de groentehandelaar Fritz Stannek. Blijkbaar kon de burger toch niet alles zelf kweken en kon dan bij Stannek terecht.

Aan de andere kant van de weg lag een winkel in “Kolonialwaren”. De naam zegt het al men verkocht spullen uit de exotische windstreken. Daar zullen ongetwijfeld ook eetbare dingen bij zijn geweest. Maar ook voor bijvoorbeeld serviesgoed kon je daar terecht.

In dezelfde buurt lag ook de levensmiddelenwinkel van Daniel. Snoepgoed hoort daar ook bij. “Nissel” was een lekkernij, het was een soort bonbon waar de kinderen dol op waren. Daniel was tevens ook boer.

Tegenover de school woonde slager Gringmuth, die ging vaak met de boeren mee naar de veemarkt om slachtvee in te kopen. Hij had een speciale kelder waar je ijs, om het vlees goed te houden, tot diep in de zomer kon bewaren. Het ijs hiervoor werd in de winter uit  visvijvers gezaagd. Zeer tot verdriet van de jeugd die dan niet meer kon schaatsen.

Om te koken heb je pannen en potten nodig, er woonde een handelaar die daar in deed hij heette Friedrich Vogel.

Maar veruit de grootste beroepsgroep waren de tuinders en de boeren. Herenboeren of kleine boeren het maakt niet veel uit. Hoewel deze laatste groep (vaak voormalige lijfeigenen) meestal nog een ander baantje erbij had. Wat moest je ook als er in de winter een maand of vijf sneeuw lag. Vaak waren deze boeren dan ook bosarbeider, of maakten ze in de winter hooirieken of hooiharken. Die laatste waren bijna wel twee meter breed. Een minder alledaags nevenberoep in de herfst was “Zapfenpflücker”, oftewel kegel- of dennenappelplukker. Het zaad werd gebruikt om plantgoed te kweken voor in de bosbouw. Op die kwekerij werkten dan weer vaak de echtgenotes bij het verspenen van de plantjes of het aanplanten van bos. Voorwaar een zwaar beroep; boer, ook voor de echtgenotes die het vee moesten melken, en meewerken op het land en bijv. met zware gietijzeren kannen water uit de beek moesten scheppen om het land te kunnen bewateren. Het vee moest eerst naar de weiden gedreven worden. Vaak over de Viebig oftewel veeweg, naar de Hutch, ooit de gemeenschappelijke weiden van Blumendorf op de Steinberg. Vlakbij lag ook de Schafschwemme (bij de oude brug). Daar damde men als het nodig was de beek af, zodat de schapen gewassen konden worden, vlak voor het scheren. Het land werd soms bewerkt met het paard, maar meestal waren het ossen die het zware werk moesten doen. Een arme boer spande zelfs de koeien voor de wagen. Landbouw op grote hoogte is veel moeilijker dan in het warmere, vlakke laagland. Behalve grasland verbouwde men vooral rogge, aardappelen, gerst, koren, haver, voederbieten en klaver voor het vee. Meestal nog een rij klaprozen voor het maanzaad. Dat werd vooral gebruikt in gebak. Fruitbomen en de groentetuin waren vlak bij de boerderij. Alles was met een hekwerk afgezet, want reeën en wilde zwijnen kwamen vooral in de herfst en winter uit het bergbos op zoek naar voedsel. En zoals bij een grote groep betaamt was er ok een boerenleider in het dorp, vele jaren lang was dat Richard Enge. Veel mensen hielden ook bijen, dat was niet voor de hobby, het hoorde er gewoon bij om in je levensbehoefte te voorzien. Zelfs leraar Jaster hield bijen. Een buurman werd wel eens door die bijen gestoken, als schadevergoeding moest Jaster hem elk jaar een pot honing geven.

Het huis verwarmen deed bijna iedereen met hout. Als je zelf geen bos had, kocht je het waarschijnlijk bij de boswachter Fritz Dyballa. Horst Friedrich vertelde dat hij als kleine jongen vaker met zijn vader op een manshoge slee volgeladen met brandhout van Gotthardsberg naar Blumendorf gleed. Remmen en sturen kon je beetje door je voeten in de sneeuw te planten. Om vaart te verminderen bond met een stam aan een ketting achter aan de slee. Je kon je huis ook met steenkool of briketten verwarmen. Je kon het kopen bij boer Oscar Tietze en bij het filiaal van de Raiffeisenbank. Die werd gerund door Herman Zölfel en zijn zoon Paul. De Raiffeisenbank was een boerencoöperatie, je kon er ook o.a. zaad- en pootgoed of kunstmest kopen.

Wat heeft een mens zoal nog meer nodig. Kleren natuurlijk. Daarvoor kon je terecht bij Emil Kittelman. Hij was de kleermaker van het dorp. Kleren maken de man. Maar ook Walter Richter was een kleermaker. Bij nieuwe kleren horen ook nieuwe schoenen. Die enkele keer dat je nieuwe kleren koopt steek je, je uiteraard helemaal in het nieuw. Daarvoor kon je naar Steinhäuser daar woonde de schoenmaker Oscar Merdon. Hij was niet de enige schoenmaker, er waren er nog twee in het dorp. In de jaren twintig was Bruno Müller de kapper. Een salon had hij niet, hij kwam gewoon aan huis. Maar de mensen van Blumendorf gingen ook in Kunzendorf naar de kapper, terwijl die van Gotthardsberg naar Ludwigsdorf gingen. In het kleine huis dat bij de Molen hoorde, met de romantische naam “Annaburg” woonde bij bakker Gotsche ooit een jonge vrijgezelle kapper in. Maar hoe hij heette is niet meer bekend.

De boeren vormden het belangrijkste deel van de beroepsbevolking, maar zij hadden natuurlijk ook hulp nodig om hun bedrijf draaiende te houden. Wat te denken van een smid, Friedrich Böhm was een hele goede. Paarden beslaan is slechts een deel van het werk in een smederij. Friedrich werkte vaak samen met Fritz Rehnert bij het maken van allerhande voorwerpen zoals aanhangwagens. Deze Rehnert had gouden handjes; hij maakte en bedacht allerlei machines, maar hij maakte ook bijv. arrensleden en schaatsen. Voor alles waar een motor op zat kon je terecht bij Alfred Nocke. Zo bouwde hij voor Willi Knoblauch een motormaaimachine. Alfred Nocke had zelfs een echte showroom. Daar kon men zich vergapen aan de nieuwste DKW motorfietsen. Nocke was trouwens de enige in het dorp die een auto bezat. Een benzinepomp was het dorp niet rijk, gelukkig was er in Kunzendorf wel één.

Een veearts was er niet in het dorp maar als er een probleem was met de geboorte van een kalf deed men een beroep op boer Heinrich Exner. Deze had veel ervaring met moeilijke geboortes bij kalveren en kon in veel gevallen de geboorte tot een goed einde brengen.

Was er op het eind van een jaar zwoegen en ploeteren nog geld over, dan kon je het kwijt bij de eerder genoemde Zölfels die de Raiffeisen Kreissparkasse in Blumendorf vertegenwoordigde. De kluis stond naar verteld wordt onder de trap.

Waar veel bos is, is ook veel hout. Dus houtzagerijen aangedreven op waterkracht waren er ook o.a. bij het huis van Mathilde Kittelman. Logisch dus dat er ook een timmerman was; Paul Stein. Adolf Müller was een metselaar en Herman Kürzer steenbreker en tot slot Paul Hentschel was schilder. Al met al genoeg expertise om een heel huis te kunnen bouwen. Aan de weg van Gotthardsberg naar Antoniwald stond een zog. “steenschuur”. In deze schuur konden de verse ca. 30 cm lange lemen bakstenen langzaam drogen


Codzienna praca 1
Rzeznik Gringmuth i gospodarz Frischling, na woz stoi cielak


W małym mieście jak Kwieciszowice nie wszystkie zawody były reprezentowane. Ale wystarczyło aby wytrzymać wsi jak nasze. Opiszę tutaj jak ludzie na początku ubiegłego wieku zarabiali na chleb. I że nie było to łatwe w miejscu, gdzie może być w tym czasie, od początku listopada do końca kwietnia prawdziwej zimy.

Co jest ważne dla człowieka? Trzeba przyznać, że to jest jedzenia, i tak samo ważne, że może podgrzewacz swój dom. Oczywiście, każdy z nich miał swój własny ogród warzywny, ale tylko to nie wystarczyło.

Po pierwsze, było na codziennie chleb piekarz Alfred Gotsche. Ale już napisałem o nim w wcześniejszym poście .

Sąsiad Gotsche był warzywniaku Fritz Stannek. Prawdopodobne ludzie w wsi nie mogli hodować wszystko w ogródko. I za to mogli iść do Stannek.

Po drugiej stronie ulica było sklep w "Kolonialwaren". Nazwa mówi sprzedawane rzeczy z egzotycznych zakątków świata . Tam z pewnością również były rzeczy jadalne. Na serwis także do potraw można tam pojechać.

W tej samej okolicy był również sklep spożywczy Daniela. Słodycze też jeden z nich. "Nissel" było super, to był rodzaj cukierków, że dzieciom się podobało. Daniel był również także rolnik .

Naprzeciwko szkoły mieszkał rzeźnik Gringmuth, który często chodził razem z chłopy do targ aby kupić bydła. On miał specjalną piwnicę, gdzie można zachować lód żeby konserwować mięso. Lód została wycięta ze stawów rybny w zimie. To byli wielki rozczarowaniu dla młodzieży, którzy przez to nie mogli dalej jechać na łyżwach.

Na gotowanie sa garnki i patelni potrzebne, w wsi mieszkał handlarz w garnki, który nazywał Friedrich Vogel.

Jednak zdecydowanie największą grupą zawodową byli ogrodnicy i rolnicy. Wielki rolnicy lub drobnych rolników, to nie ma większego znaczenia. Chociaż ta ostatnia grupa (często byli poddani) zwykle miał jeszcze innej pracy. Co miałeś robić jak w zimie leżał pięć miesiące śnieg. Często te rolnicy byli wtedy również pracowników dla leśnicy. Często one w zimy robili rożnych typów grabie do siana. Czasami były prawie dwa metry szerokości . Mniej powszechne praca w jesienią był "Zapfenpflücker" lub zbierać stożek sosna lub świerk. Nasiona wykorzystane na hodowanie sadzonki do uprawy w lesie. Następnie pracował ponownie często żony rolnika podczas przesadzania roślin na szkółka lub sadzenia lasu. Naprawdę trudny zawód, rolnik, i na pewno dla ich żon, które musieli udoić bydło, i pracować na polu, np. z ciężkich żelaznych dzbanki zbierać wody z potoku do odlewanie pole. Najpierw bydło musiało napędzany do pastwisko. Często przez Viebig (droga bydła) do Hutch, to kiedyś wspólnym wypas Kwieciszowic na Steinberg. Blisko był Schafschwemme (kolo stary most). Tam można budować tamę w strumienia kiedy była potrzebna myc owce przed goleniem. Czasami pracowali z koniem na pole, ale głównie to woły robili ta ciężkich praca. Biedny rolnik nawet wykorzystać krowy do tego praca. Rolnictwo na dużej wysokości jest o wiele trudniejsze niż w cieplejszych, płaskich nizinach. Oprócz siano głównie uprawiane żyto, ziemniaki, jęczmień, kukurydza, owies, koniczyna i pasza dla zwierząt gospodarskich. Za zwyczaj był jeden rząd maków. Mak był używany głównie w ciasta. Drzew owocowych i ogród warzywny był w pobliżu gospodarstwa. Wszystko było ogrodzone, ponieważ jelenie, sarnę i dziki głównie w jesienią i zimą poszli z górskim lesie poszukać pożywienia. I jak należy na duże grupy było liderem chłop we wsi, przez wiele lat to było Richard Enge. Wiele osób mieli również pszczoły, to nie było na hobby, to było potrzebne na zarabiać na chleb. Nawet nauczyciel Jaster trzymał ul. Jego sąsiad Lorenz był czasami ukąszony przez jego pszczoły, Jaster jaki odszkodowanie miał każdego roku dać mu słoik miodu .

Prawie każdy ogrzewał dom z drewna. Jeśli sam nie miałeś las, prawdopodobnie kupiłeś drewno u leśnik Fritz Dyballa. Horst Friedrich powiedział, że on często jako mały chłopak razem z ojcem w na sanki załadowane drewnem zjechał od Boża Góra do Kwieciszowice. Hamowania i kierownicy było sadzenie nogi. Można również ogrzewać domu z węglem lub brykietów. Było możliwe kupić to u rolnika Oscar Tietze lub filiał Raiffeisenbank .Który był prowadzony przez Hermana Zölfel i jego syna Paul. Raiffeisen Bank był spółdzielczy rolników, można tam również kupić nasiona i sadzonki lub nawóz .

Co potrzebują człowiek jeszcze? Ubrania, oczywiście! Za to można było skontaktować się z Emil Kittelman. Był krawcem wsi. Szata czyni człowieka. Ale Walter Richter był również krawcem. U nowych ubrań powinny być nowe buty. Tak rzadko kupisz nowe ubrania to lepiej wszystko naraz nowego. Po buty można było przejść do koloni, tam mieszkał szewc Oscar Merdon. Nie tylko on był szewcem, były jeszcze dwa więcej w wiosce. W latach dwudziestych, Bruno Müller był fryzjer. Salon nie miał, on po prostu poszło do ciebie do domu. Ale ludzie z Kwieciszowice też poszli do Proszowa po fryzury, ludzie z Boża Góra poszli do Chromiec. W małym domu, który należał do młyna, z romantycznym imieniu "Anna Burg" mieszkał u piekarz Gotsche kiedyś młody fryzjer, kawaler. Ale jego nazwisko nie jest znane .

Rolnicy byli oczywiście największą częścią siły roboczej w wsi, ale oni oczywiście potrzebowali tez pomóc w utrzymaniu ich działalności. Co myśleć o kowala, Friedrich Böhm był bardzo dobry. Kucia koni to tylko część pracy w kuźni. Friedrich często pracował razem z Fritz Rehnert w produkcji różnego rodzaju obiektów, takich jak przyczepy. Ten Rehnert miał złote ręce, a on wymyślił wszystkie rodzaje maszyn, ale również robił rzecze jak sanki i łyżwy. Za wszystko, co było na motocyklu, mogłeś iść się do Alfreda Nocke. Zbudował dla Willi Knoblauch kosiarki. Alfred Nocke nawet miał prawdziwy salon. Tam można było podziwiać najnowsze motocykle DKW. Nocke był również jedynym w miejscowości, który był właścicielem samochód . Stacja benzynowa nie była w wsi, na szczęście było jedno w Proszowa.

Weterynarz nie był w wiosce, ale kiedy było problemu z urodzenia cielaka, poszli do rolnika Heinrich Exner. On miał duże doświadczenie z trudnymi urodzeń cieląt i może przynieść wiele narodzin do pomyślnego zakończenia,

Pozostały na koniec roku jeszcze trochę pieniądze, to może to dac na twoje konto u wyżej wymienionych Raiffeisen Kreissparkasse w Kwieciszowice reprezentowane przez Zölfels. Powiedzieli z trezor stał pod schodami.

Tam gdzie dużo lasów, tam także jest dużo drewna. Więc tartaki napędzane siłą wody były parę w wsi m. i. w domu Mathilde Kittelman. Logiczne jest zatem, że istnieje również stolarz: Paul Kufel. Adolf Müller był murarzem i Herman Kürzer kamieniarz i na końcu Paul Hentschel był malarzem. Wystarczy w sumie doświadczenie budować cały dom. Kolo droga od Boża Góry do Antoniów było budowane otwarte stodoła do wysuszenie cegły. W tej stodole świeże 30 cm długości powoli suszone cegły z glina.

Geen opmerkingen: